De Petite Messe Solennelle is romantisch, meeslepend en vroom, maar met een levendige knipoog en een scheutje opera. De combinatie maakt het voor zangers en begeleiders een feest om het werk uit te voeren.
Een ‘’kleine plechtige mis’’ noemde Giaocino Rossini het met gevoel voor humor. Tot op dat moment, in 1864, was een mis óf klein óf plechtig, maar niet allebei. Op de laatste pagina van het manuscript schreef de componist: ,,Lieve Heer, hij is af, deze arme, kleine mis. Heb ik gewijde of verdoemde muziek geschreven? Ik ben voor de komische opera geboren, zoals u weet. Niet veel kennis en een klein beetje hart, dat is het wel. Zegen voor u en gunt u me het paradijs.’’
Rossini (1792 – 1868) had lang daarvoor, in zijn jonge jaren, furore gemaakt in heel Europa met tientallen grote en kleine opera’s, waaronder De barbier van Sevilla en WilhelmTell. In 1829 was een lange stilte ingetreden. Rossini leefde (en at) decennia goed van het kapitaal dat hij met zijn vroege successen bij elkaar had verdiend, zonder verder nog grote dingen te componeren. De Petite Messe Solennelle, geschreven toen de dood al aardig dichterbij kwam, was de enige serieuze afwijking van dit stramien.
Rossini schreef er later nog een orkestbegeleiding bij, maar hij had zelf een voorkeur voor een sobere begeleiding door twee vleugels en een orgel, een voorkeur die het stuk extra populair maakt bij amateurkoren.